GESCHIEDENIS VAN DE REGIO VOLLENHOVE
Historische
gegevens van
kernen in de regio .. - - - - - - -
- - - Barsbeek
Blokzijl Moespot
De Middeleeuwen
- het ontstaan
Al in 936 wordt Vollenhove genoemd.
Zijn naam heeft Vollenhove te danken aan de vroegere naam van de streek. In de eerste eeuwen
van onze jaartelling wordt deze Fullenho of Fulnaho genoemd.
De eerste zekere vermelding van de naam Vollenhove dateert van 936. In dat jaar verleent Otto de
Grote het recht op de jacht rondom Vollenhove aan Balderic, de 25e bisschop van Utrecht.
Vollenhove was toen een woeste streek, een acte uit 944 spreekt van Silva Fullnaho
-het woud Vollenhove- waarin nog groot wild, als beren, elanden en wildezwijnen
voorkomen.
Zeker is het gebied dan dunbevolkt en nauwelijks ontgonnen.
In 1010 schenkt Hendrik de Tweede het gebied aan het Utrechtse bisdom, of eigenlijk aan
diens beschermheilige; de heilige Martinus. Volgens andere bronnen worden de landerijen in 1133
geschonken door Rudolf van Steinfurt aan de kerk te Lette bij Osnabrück. Dit wordt dan weer
bevestigd door een acte uit 1134 van Keizer Lotharius III. In deze acte wordt Vollenhove
omschreven als een bij de zee gelegen streek die zich uitstrekt tot het Meppeler
diep. In ieder geval behoudt het bisdom Utrecht eeuwenlang overheidsgezag.
In die tijd leefden de weinige bewoners op de hoge gronden,
zoals de keileemrug die van de Voorst naar Heetveld loopt, die hun beschermde tegen de kracht
van het water. De Voorst moet toen al aan de zoetwaterige Almere hebben gelegen, maar ook
de (Zuider)zee rukte op. Het landschap bestond voornamelijk uit wouden en
moeras- gebieden. Het was dan ook moeilijk over land bereikbaar. De route over
de Almere was veel aantrekkelijker en dat is waarschijnlijk de reden dat de nederzetting Vollenhove
ontstaat/opbloeit. De hoge landtong biedt immers beschutting aan de schippers die over de
Almere naar het landgoed Drente (ook al eigendom van de Utrechtse bisschoppen)
varen.
Verder blijkt het al gauw een aantrekkelijk jachtgebied te zijn.
Het is dus logisch dat er al snel een steunpunt ontstaat.
Godfried van Rhenen
Omstreeks 1100 wordt dat steunpunt, een versterkt huis uit de 11 eeuw, door één van de
bisschoppen verbouwd envoorzien van een tufstenen kerkje.
Dit versterkte huis wordt omstreeks 1168 door bisschop Godfried van Rhenen vervangen
door het zogenaamde Oldenhuijs.
Het Oldenhuijs was een door een gracht omgeven burcht met een donjon en een
kapel. (De kapel wordt overigens eerst in 1381 genoemd.) De bisschoppen uit die tijd waren namenlijk niet alleen
geestelijke maar vooral ook krijgsheer. Verder is de burcht een steunpunt in de verdediging tegen
de Friezen, evenals de burcht in Kuinre.
Zelf had Godfried van Rhenen niet veel plezier aan zijn kasteel. Al in 1170 werden door een zware
storm grote delen van het gebied
weggevaagd. Bossen en dorpen verdwenen, er waren veel doden en grote schade. Dit greep de
bisschop zo aan dat hij nooit meer de oude is geworden. Toch zullen de bisschoppen steeds meer tijd
doorbrengen in Vollenhove.
Hierdoor kreeg het slot meer en meer betekenis en nam het aantal in- en omwonenden toe.
Strijd om Vollenhove
De Stellingwervers (Friezen) en ook de Drenten legden zich niet vrijwillig bij het bewind van de
kerkvorsten neer.
In de slag bij Ane, in 1226, sneuvelden aan Vollenhoofse kant onder anderen de toenmalige
bisschop en de Vollenhoofse ridders Cornelis van Steenwijk, Herwen van der Ere, Gozewijn
van Oosterwolde, Herman van Boetzelaer en Gysbert van Isselmuiden.
In het begin van de 14e eeuw had het slot van Vollenhove het zwaar te verduren onder de aanvallen
van de Stellingwervers, die zich door bisschop Guido continue bedreigd voelden.
Toen het gerucht circuleerde dat Guido naar Frankrijk wasafgereisd, vielen zij het Land van
Vollenhove binnen. Giethoorn werd daarbij geplunderd en totaal verwoest, waarna het kasteel van
Vollenhove belegerd werd.
Toen de nederlaag dreigde kwam Guido en zijn gezelschap in zicht.
Bij het zien van de schepen, brak er paniek onder de Stellingwervers uit en kon de slotvoogd een uitval doen waarbij de Stellingwervers
verpletterd werden.
Ruim 500 van hen werden gedood, de rest gevangen genomen.
Als onderdeel van de schadevergoeding werd Steenwijkerwold overgedragen.
Door de aanhoudende oorlogen in geldnood gekomen, moest bisschop Jan van Diest heel
Overijssel in 1336 verpanden aan Reinoud van Gelder. Deze ging gewoon door met het voeren van
oorlog tegen de Friezen wat voornamelijk ten koste van Vollenhove ging, ook al werden
de Friezen in een veldslag op de Barsbekerdijk verslagen.
In 1346 kon bisschop Jan van Arkel het pand weer inlossen.
Welvaart - de 14e tot 16e eeuw
Stadsrechten in 1354
In 1354 krijgt Vollenhove van diezelfde Jan van Arkel stadsrechten toegewezen. De stad
heet dan nog niet Vollenhove. Pas na 1380 is in de acten de naam Vollenho terug te vinden als naam
voor de stad. Daarvoor wordt de stad aangeduid als gelegen voor Op ten Camph (de burcht van de
bisschop). Heden ten dage is deze naam alleen nog terug te vinden op een boerderij gelegen aan OppenSwolle
(Opten Kamp) bij de Wendeler dijkweg.
De stadsrechten betekenen zelfbestuur, een eigen rechtspraak en beheer van de eigen financiële
middelen. De rechtspraak werd overigens in eerste instantie uitgevoerd onder leiding van een
door de bisschop aangestelde schout. Deze was tevens kasteelheer. De schout werd later
vervangen door de drost van Vollenhove. Dit was een van de drie machtigste mannen van de
provincie. Deze functie bleef in stand tot 1811.
Na het toekennen van de stadsrechten wordt de stad snel uitgebreid en heeft binnen honderd
jaar de omvang zoals we die kennen uit het begin van deze eeuw. Tot ca. 1800 wonen er
nooit meer dan 1000 mensen.
Was oorspronkelijk de Oldestraat (Visscherstraat) de enige straat van de stad, al snel werden de
Nyestraat (Kerkstraat) en Achterstraat (Bisschopstraat) toegevoegd. Enige tijd later volgde
de Achtersteeg (Groenestraat.)
Wat opvalt is dat alle havenzaten buiten het oorspronkelijk stadsgebied vallen.
De stad werd voorzien van poorten, torens en aarden wallen.
Op de wallen stonden houten palissaden en/of hagen. Rondom de stad werd een gracht aangelegd
(behalve aan de noordzijde).
Tot 1450 blijft Vollenhove de belangrijkste bisschoppelijke residentie in het
Oversticht. Tot 1553 blijft de hof van kanselier en Raden van Overijssel, Drenthe en
Lingen er gevestigd.
In 1650 kent Vollenhove 13 havezathen binnen haar grenzen.
Dit betekent niet dat er een eind was gekomen aan de strijd.
In 1510 veroverden de Geldersen Kuinre en vielen vervolgens Vollenhove aan. Zij werden echter
teruggedreven en moesten ook Kuinre verlaten.
12 jaar later, in 1522, werd Steenwijk door de Friezen onverrichter zake
belegerd.
Dan verschijnt de beruchte Maarten van Rossum te tonele, en onder zijn leiding lukt het de
Geldersen om achtereenvolgens Hasselt, het kasteel te Genemuiden, het kasteel te
Vollenhove, Steenwijk en Kuinre te veroveren.
Lang had Karel van Gelder niet plezier van zijn overwinning. Al in 1527 kon Karel V zich heer van
Overijssel noemen. Zijn troepen onder leiding van Jurriaan Schenk van Toutenburg verdreven de
Gelderse troepen. Als dank werd Jurriaan stadhouder van Friesland, Groningen en Overijssel en hij was
het die de Toutenburg liet bouwen in 1534. Hij bleef 12 jaar in functie en is in de Grote kerk van
Vollenhove begraven.
Verval - 16 eeuw tot 20 eeuw
De welvaart verdwijnt met de bisschoppen
In de tijd van de bisschoppen is Vollenhove tot grote bloei
gekomen. Immers wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het best, en zo komen er vele edelen (de
Vollenhoofse Ridderschap) in Vollenhove te wonen.
Kaart van Vollenhove uit 1649 door Blaeu.
Hun grote borgmanswoningen, die later havenzaten worden
genoemd, bepalen het gezicht van de stad. Op een gegeven moment telt Vollenhove 15 havenzaten
binnen de stadsgracht en wordt de stad der paleizen genoemd.
Aan het einde van de 16e eeuw heeft de stad zwaar te
lijden onder de aanhoudende oorlogen.
In 1581 wordt Vollenhove ingenomen door Sonoy, één
van de legeraanvoerders van de prins van Oranje. De katholieken moeten daarna het veld ruimen
Veel bestuursfuncties worden verlegd naar de grotere steden. Dat doet pijn want de economie van Vollenhove
was vrijwel volledig gebaseerd op de bestuursfuctie. Veel inwoners waren in dienst bij de vele
edelen, welgestelden, advocaten en procureurs die de stad telde.
Er werden wel veerdiensten met de grote steden
onderhouden, maar van enige handel van belang was geen sprake.
Als de bisschoppen na 1528 wegblijven kunnen de stadhouders de welvaart dan ook niet binnen de stad
houden. Aan het eind van de 17 eeuw komt aan die welvaart dan ook een einde. Na de afschaffing van de
heerlijke rechten in 1795 vertrekken vele adelijken en neemt ook de bevolking sterk
af. De regionale bestuursfunctie en rechtspraak gaan verloren in respectievelijk 1813 en 1877.
Enkele havenzathen en de Laarpoort (1836) en de Bentpoort (1840) vallen onder de
sloophamer.
De bloeiende steurvisserij sterft uit door het verdwijnen
van de steur.
Watersnoodramp van 1825
In februari 1825 kende dit gebied een grote
watersnoodramp. Een kwart van de provincie kwam onder water te staan. De schade bedroeg het voor die tijd
gigantische bedrag van ruim 2 miljoen gulden. Er kwamen 305 mensen om. 574
huizen verdwenen in de golven en nog eens 2284 werden onbewoonbaar. Het omgekomen
aantal vee bedroeg tienduizenden. Gelukkig kwam er veel financiële hulp. In totaal ruim 2,2 miljoen gulden, onder
andere Fl. 100.000,-- van Alexander I de keizer van Rusland. Als gevolg van de watersnood kende men in
1826 een koortsjaar (malaria). Ook nu weer waren de gevolgen ernstig.
Vollenhove: vissersplaats
In het begin van 19e eeuw vindt Vollenhove als vissersplaats sterk
opgang. In 1823 wordt besloten tot aanleg van een binnenhaven. Die gaat echter ten koste van
het boegbeeld van de stad: de burcht. De binnenhaven wordt verbonden met de grachten van de
burcht, die zelf
in 1854 grotendeels wordt afgebroken.
In 1859 vestigen zich een aantal vissers van
Schokland, na de gedwongen ontruiming van het eiland, zich in Vollenhove en gebruiken de resten van de burcht om zich
onderdak te verschaffen. In 1890 wordt de buitenhaven aangelegd.
Vollenhove kent dan 244 vissers en 113
vissersschepen.
Het aantal vissers neemt na de afsluiting van de Zuiderzee
sterk af en krijgt door de aanleg van de Noordoostpolder de genadeklap. In 1971 verdwijnt de laatste van hen.
De stadsgrachten worden in 1921 gedempt en in 1955 verdwijnen de laatste resten van de burcht en de
visserswoningen.
Voor korte tijd kent de stad nog een opleving vanwege de
werkhaven voor de aanleg van de nieuwe polder, maar kwijnt dan weer weg.
Wat echter blijft is de bestuursfunctie, al is dat niet meer
zoals in het verleden. Jammer genoeg dreigt ook de bestuursfunctie verloren te gaan door de op handen zijnde
gemeentelijke herindeling.
Een nieuw begin - na de 2e wereldoorlog
Vollenhove aan het eind van de 20e eeuw
In 1942 wordt Vollenhove samengevoegd met Ambt
Vollenhove. In 1973 wordt Vollenhove als hoofdplaats opgenomen in de gemeente
Brederwiede. Dit betekent dat de stad weer meer bestuursfunctie krijgt. Ook krijgt het
een functie als inkoopcentrum voor deze gemeente en een deel van de
Noordoostpolder. Een flinke impuls leveren ook de plaatsing van het Waterloopkundig en het
Lucht- en ruimtevaartlaboratorium, net buiten Vollenhove, in de Noordoostpolder.
Op dit moment kent Vollenhove steeds meer belangstelling van het
toerisme. Er is een ruime jachthaven aangelegd en de overgebleven historische panden zijn in
ere hersteld. De regionale plannen voor de Kop van Overijssel sluiten hier goed op
aan.